Basiskennis fotografie
Diafragma: licht en scherptediepte bepalen
Het diafragma regelt hoeveel licht het objectief doorlaat en bepaalt voor een belangrijk deel hoeveel van een foto scherp wordt weergegeven. Daardoor is het tegelijk een technisch én creatief hulpmiddel.
Als je fotografeert kijk je anders. Als je anders kijkt zie je meer. Als je meer ziet beleef je meer.
Overzicht
Snel naar het juiste onderdeel
Je hoeft dit hoofdstuk niet in één keer te lezen. Kies het onderdeel dat past bij je vraag of fotosituatie.
1 · De basis
Wat is het diafragma?
Het diafragma is een verstelbare opening in het objectief. De lamellen regelen hoeveel licht wordt doorgelaten en beïnvloeden tegelijk de scherptediepte.
Lamellen als de pupil van het objectief
De opening bestaat uit metalen lamellen die over elkaar schuiven. Door deze lamellen te bewegen wordt de opening groter of kleiner. Je kunt dit vergelijken met de pupil van je oog: bij weinig licht wordt de pupil groter en bij veel licht kleiner.
Laag f-getal
Een waarde zoals f/1.8 of f/2.8 betekent een grote opening. Er valt veel licht op de sensor en de scherptediepte is meestal klein.
Hoog f-getal
Een waarde zoals f/11 of f/16 betekent een kleine opening. Er valt minder licht op de sensor en de scherptediepte is meestal groter.
Een klein f-getal geeft een grote opening; een groot f-getal geeft een kleine opening.
Waarom werkt het f-getal andersom?
Het f-getal is een verhouding tussen de brandpuntsafstand en de diameter van de opening. Bij een 50mm-objectief is de opening bij f/2 ongeveer 25 mm groot. Bij f/10 is dat ongeveer 5 mm. Daarom wordt de opening kleiner als het getal achter de f groter wordt.
De maximale opening van een objectief
Op een objectief staat de grootste beschikbare opening, bijvoorbeeld 50mm f/1.8, 24–70mm f/4 of 70–200mm f/2.8. Een objectief met een grote maximale opening wordt lichtsterk genoemd.
Bij sommige zoomobjectieven blijft de maximale opening over het hele bereik gelijk. Andere hebben bijvoorbeeld f/4–6.3: tijdens het inzoomen wordt de grootste opening dan kleiner.
2 · Zelf ontdekken
Bekijk zelf wat het diafragma doet
Beweeg de schuifregelaar. De lamellen, het f-getal, de hoeveelheid licht, de scherptediepte en de onscherpte in de voorbeeldscène veranderen gelijktijdig.
Vergelijk eerst f/2.8 met f/16. Let daarna bij de tussenliggende waarden op de beweging van de lamellen, de hoeveelheid licht en de steeds duidelijker wordende achtergrond.
3 · Licht
Diafragmawaarden en stops
Een volledige diafragmastop verdubbelt of halveert de hoeveelheid licht. De bijzondere getallenreeks beschrijft steeds de verhouding tussen brandpuntsafstand en opening.
De traditionele reeks
f/1 – f/1.4 – f/2 – f/2.8 – f/4 – f/5.6 – f/8 – f/11 – f/16 – f/22
Iedere stap naar rechts halveert de hoeveelheid licht. Iedere stap naar links verdubbelt de hoeveelheid licht.
Compenseren met sluitertijd of ISO
Maak je een goed belichte foto met f/4, 1/250 seconde en ISO 100 en verander je naar f/5.6, dan komt één stop minder licht binnen. Je kunt dit compenseren met 1/125 seconde of ISO 200. Verander je van f/4 naar f/2.8, dan komt juist één stop meer licht binnen en kan de sluitertijd naar 1/500 seconde.
Een verandering van diafragma vraagt vaak om een aanpassing van sluitertijd of ISO wanneer de helderheid gelijk moet blijven.
Halve en derde stops
Moderne camera’s kunnen meestal in halve of derde stops werken. Daardoor zie je tussen de volledige stops ook waarden zoals f/3.2, f/3.5, f/4.5 en f/5. Iedere kleine stap verandert de hoeveelheid licht nauwkeuriger dan een volledige stop.
4 · Scherptegebied
De invloed op de scherptediepte
Scherptediepte is het gebied vóór en achter het scherpstelpunt dat in de foto voldoende scherp lijkt. Een grote opening geeft meestal een kleiner scherptegebied dan een kleine opening.
Diafragma is niet de enige factor
Ook de afstand tot het onderwerp, de brandpuntsafstand, het sensorformaat, de afstand tussen onderwerp en achtergrond en de uiteindelijke vergroting bepalen hoeveel scherptediepte zichtbaar is.
Ga dichter naar het onderwerp, vergroot de afstand tot de achtergrond of gebruik een langere brandpuntsafstand wanneer je een rustigere, onscherpe achtergrond wilt.
Brandpuntsafstand en standpunt
Bij hetzelfde standpunt, dezelfde scherpstelafstand en hetzelfde diafragma geeft een langere brandpuntsafstand doorgaans een kleinere scherptediepte. Een 24mm-objectief toont meestal meer scherpte dan een 200mm-objectief.
Wil je het onderwerp bij beide brandpuntsafstanden even groot in beeld houden, dan moet je met de telelens verder naar achteren. Daardoor wordt het verschil in scherptediepte kleiner, maar de achtergrond oogt door de smallere beeldhoek vaak groter, rustiger en dichterbij.
Brandpuntsafstand, opnameafstand en kadrering werken samen. Je kunt hun invloed niet helemaal los van elkaar beoordelen.
Afbeeldingsvergroting en uitsnijden
Afbeeldingsvergroting is geen camera-instelling. Hoe groter je een foto toont of afdrukt, hoe eerder kleine verschillen in scherpte zichtbaar worden.
Ook een sterke uitsnede vergroot onscherpte, cameratrilling, ruis en fouten in de scherpstelling. De kijkafstand speelt eveneens mee.
5 · Achtergrond
Achtergrondonscherpte en bokeh
Achtergrondonscherpte beschrijft hoeveel onscherpte zichtbaar is. Bokeh beschrijft hoe die onscherpte eruitziet.
De vorm en het aantal diafragmalamellen, het optische ontwerp, het gekozen diafragma en de afstand tot de achtergrond hebben allemaal invloed.


Afstand en achtergrond tellen mee
Hoe verder de achtergrond achter het onderwerp ligt, hoe onscherper deze meestal wordt weergegeven. Een langere brandpuntsafstand, een kleinere afstand tot het onderwerp en een grotere opening kunnen dat effect versterken.
Kijk vóór het afdrukken niet alleen naar het onderwerp, maar ook naar lichte vlekken, takken, lijnen en drukke patronen in de achtergrond.
6 · Technische kwaliteit
Diafragma en beeldkwaliteit
Bij volle opening kunnen de beeldhoeken iets zachter zijn. Sterk sluiten vergroot de scherptediepte, maar kan door diffractie juist fijne details verzachten.
De sweet spot
Bij volle opening kunnen vignettering, chromatische aberratie of coma duidelijker zichtbaar zijn. Door het diafragma één of twee stops te sluiten, nemen scherpte en contrast vaak toe. Veel moderne objectieven zijn bij hun maximale opening echter al bijzonder goed.
| Maximale opening | Vaak gunstig bereik |
|---|---|
| f/1.4 | ongeveer f/2.8–f/4 |
| f/1.8 | ongeveer f/2.8–f/4 |
| f/2.8 | ongeveer f/4–f/5.6 |
| f/4 | ongeveer f/5.6–f/8 |
| f/5.6 | ongeveer f/8–f/11 |
Deze waarden zijn richtlijnen. Het optimale diafragma verschilt per objectief, brandpuntsafstand en scherpstelafstand. De fotografische bedoeling blijft belangrijker dan een theoretische sweet spot.
Diffractie bij kleine openingen
Wanneer licht door een zeer kleine opening gaat, buigt het langs de randen van de lamellen enigszins af. Hierdoor lopen de kleinste details steeds meer in elkaar over. Diffractie veroorzaakt geen verkeerde scherpstelling: het hele beeld verliest geleidelijk een deel van zijn fijnste details.

f/8 geeft vaak een goede balans. f/11 biedt meer scherptediepte. Bij f/16 en f/22 wordt diffractie meestal duidelijker, maar zo’n klein diafragma kan toch de beste keuze zijn als extra scherptediepte belangrijker is.
Stervormige lichtbronnen
Bij f/11 of f/16 kunnen kleine heldere lichtbronnen veranderen in sterren. Bij een even aantal lamellen is het aantal stralen meestal gelijk aan het aantal lamellen; bij een oneven aantal meestal tweemaal zo groot.

Macro en focus stacking
Bij macrofotografie is de scherptediepte vaak maar enkele millimeters. f/16 of f/22 geeft meer scherptediepte, maar kan fijne details verzachten.
Een alternatief is meerdere foto’s met verschillende scherpstelpunten samenvoegen. Deze techniek heet focus stacking en krijgt binnen Camerahobby een eigen pagina.
7 · Landschap
De hyperfocale afstand
De hyperfocale afstand is de dichtstbijzijnde afstand waarop je kunt scherpstellen waarbij oneindig nog voldoende scherp wordt weergegeven.
24 mm en f/8 op fullframe
Bij een fullframecamera, 24 mm en f/8 ligt de berekende hyperfocale afstand volgens een gangbare norm rond 2,4 meter. Stel je op die afstand scherp, dan lijkt het beeld vanaf ongeveer 1,2 meter tot oneindig voldoende scherp.
De formule
In de praktijk hoef je dit meestal niet zelf uit te rekenen. Je kunt een scherptedieptetabel, app, online calculator of afstandsschaal op het objectief gebruiken.
Voldoende scherp is niet maximaal scherp
Beschouw de uitkomst als uitgangspunt. Alleen het gekozen scherpstelvlak is maximaal scherp. Moderne camera’s met veel megapixels, grote afdrukken en sterke uitsneden stellen hogere eisen.
Controleer belangrijke voorgrond- en achtergronddetails vergroot op het camerascherm en maak bij twijfel een tweede opname met een iets ander scherpstelpunt.
8 · Instellen
Camera-tip voor Nikon, Canon en Sony
Voor het oefenen is diafragmavoorkeuze het gemakkelijkst. Jij kiest het diafragma en de camera bepaalt een passende sluitertijd.
Nikon en Sony
Gebruik de A-stand. Verander het diafragma met de ingestelde voorste of achterste instelschijf.
Canon
Gebruik de Av-stand — Aperture Value. Ook hier bepaalt de camera automatisch de sluitertijd.
Zelf diafragma en sluitertijd bepalen
Gebruik bij Nikon, Canon en Sony de M-stand wanneer je zowel diafragma als sluitertijd zelf wilt kiezen. Met Auto ISO kan de camera de ISO-waarde automatisch aanpassen.
Controleer bij kleine openingen altijd of de sluitertijd niet te lang wordt voor fotograferen uit de hand.
9 · Praktische keuze
Welk diafragma kies je in de praktijk?
De waarden hieronder zijn vertrekpunten, geen vaste regels. Kies eerst de gewenste beeldwerking en controleer daarna of sluitertijd en ISO nog geschikt zijn.
| Onderwerp | Uitgangspunt | Reden |
|---|---|---|
| Portret | f/1.8–f/4 | Kleine scherptediepte en rustige achtergrond |
| Groepsportret | f/5.6–f/8 | Meerdere personen voldoende scherp |
| Concert | f/1.8–f/4 | Fotograferen bij weinig licht |
| Onderwerp | Uitgangspunt | Reden |
|---|---|---|
| Landschap | f/8–f/11 | Balans tussen scherpte en scherptediepte |
| Macro | f/5.6–f/11 | Meer scherptediepte zonder extreem te sluiten |
| Natuur en dieren | f/4–f/8 | Onderwerp losmaken van de achtergrond |
| Onderwerp | Uitgangspunt | Reden |
|---|---|---|
| Sport | f/2.8–f/5.6 | Veel licht voor korte sluitertijden |
| Avond en nacht | f/2.8–f/11 | Afhankelijk van beweging, statief en stervorming |
| Sterren | f/1.4–f/2.8 | Zo veel mogelijk sterrenlicht opvangen |
10 · Zelf ervaren
Praktische oefeningen
Open één oefening tegelijk, houd standpunt en scherpstelpunt gelijk en vergelijk de resultaten op volledige grootte.
1. De volledige diafragmareeks vergelijken
- Zet Nikon of Sony in de A-stand, of Canon in de Av-stand.
- Kies een onderwerp met voldoende afstand tot de achtergrond.
- Maak vanaf hetzelfde standpunt foto’s met f/2.8, f/4, f/5.6, f/8, f/11 en f/16.
- Stel steeds op hetzelfde punt scherp en noteer de gekozen sluitertijd.
- Vergelijk scherptediepte, achtergrond, bokeh en fijne details.
2. Waar let je op bij het vergelijken?
- Hoe snel wordt de achtergrond herkenbaar?
- Blijven onscherpe lichtpunten rond of worden ze hoekig?
- Bij welk diafragma zijn midden en hoeken het scherpst?
- Vanaf welke waarde worden fijne details door diffractie zachter?
- Wordt de sluitertijd nog kort genoeg voor fotograferen uit de hand?
Met het diafragma regel je niet alleen licht, maar ook scherptediepte, achtergrondonscherpte en een deel van de beeldkwaliteit. Er bestaat geen beste waarde voor iedere foto: de juiste keuze hangt af van onderwerp, licht en bedoeling.
Verder leren
Plaats diafragma in het grotere geheel
Diafragma werkt altijd samen met sluitertijd en ISO. Verdiep je daarna verder in scherptediepte, brandpuntsafstand en technieken zoals focus stacking.
- Belichtingsdriehoek
- Sluitertijd
- ISO
- Scherptediepte
- Brandpuntsafstand
- Focus stacking
- Macrofotografie
- Landschapsfotografie
- Portretfotografie